Instructies voor het maken van een tijdlijn

Wat moet er nog meer zijn gebeurd? Wie zijn er nog meer bij betrokken?

Als je je onderzoek met een hypothese bent begonnen, heb je al het begin van een denkbeeldige tijdlijn. De hypothese is de belangrijkste gebeurtenis in je verhaal: de onthulling, de kern van de zaak. Daarom verdient het een centrale plaats in de tijdlijn: typ het in het midden van een tekstdocument zodat er ruimte overblijft boven en onder. Probeer dan te bedenken wat er nog meer moet zijn gebeurd. Maak een lijst van alle gebeurtenissen die verband houden met je hypothese: voorbeelden, oorzaken, gevolgen en oplossingen. Begin met gebeurtenissen die al bekend zijn, waarvan je weet (uit de media of documenten) dat ze hebben plaatsgevonden. Ga dan verder met gebeurtenissen waarvan je vermoedt dat ze hebben plaatsgevonden. De techniek is om bij elke gebeurtenis te vragen: wat moet er vóór en na dit gebeurd zijn? De meeste gebeurtenissen hebben een oorzaak en een gevolg; het een kan niet zonder het ander gebeuren, en het een leidt onvermijdelijk tot het ander. De lijst die ontstaat noemen we een tijdlijn, verhaallijnen of scenario. Het dient meerdere functies. Om te beginnen is het een diepgaande analyse van het probleem dat je wilt aanpakken. Je kunt het ook gebruiken als actieplan voor je onderzoek. En tot slot kan het dienen als het script voor je uiteindelijke verhaal. Een scenario biedt houvast van begin tot eind. Natuurlijk zullen er, afhankelijk van de feiten die je tegenkomt, dingen in je scenario veranderen, en dat is prima. Het punt is dat je vanaf het begin een verhaallijn in gedachten hebt die je reikwijdte definieert, je in een zoekrichting wijst, en getoetst kan worden aan de feiten. Het is alsof je een pad voor jezelf uitkapt door een schijnbaar ondoordringbare jungle.

De volgende acht vragen zijn nuttig gebleken voor het identificeren van de verschillende gebeurtenissen en actoren (belanghebbenden) in een verhaal:

  1. Probleem: Wie verricht er een onwettige, onrechtvaardige of gevaarlijke handeling? Wie is de belangrijkste verantwoordelijke (‘dader’)? En hoe grijpt deze in in zijn of haar omgeving?
  2. Motief: Wat zet de dader aan tot handelen? ****Welke beslissing, maatregel of ingreep van anderen? Of: welke ontdekking of uitgesproken ambitie van hemzelf?
  3. Middelen: Welke middelen (geld, vergunning, kennis, materiaal, menskracht) gebruikt de dader bij zijn handeling? Hoe heeft hij die middelen verkregen?
  4. Gelegenheid: Welke omstandigheid (bij. fysieke nabijheid) of nalatigheid (bijv. gebrekkige controle, politieke steun) maakt het voor de dader mogelijk om de handeling uit te voeren?
  5. Slachtoffers: Welke individuen of groepen worden er getroffen? Hoe reageren ze fysiek (vluchten, terugvechten, bescherming zoeken), verbaal (protesteren, verslag doen) of sociaal (samenwerken, isoleren)? Welke aanpassingen doen ze (verhuizen, leefstijl veranderen)? Welke middelen zetten ze in (juridische stappen, technologie, ledenwerving, fondsenwerving)?
  6. Profiteurs: Welke individuen of groepen hebben er profijt van de situatie? ****Hoe reageren ze fysiek (bezit uitbreiden, beleggen, productie verhogen), verbaal (opscheppen, eisen stellen) of sociaal (netwerk uitbreiden, anderen helpen)? Welke aanpassingen doen ze (consumptiepatronen veranderen)? Welke middelen zetten ze in (investeringen, donaties, politieke invloed, technologie, mensen)?
  7. Getuigen: Welke individuen, instanties of organisaties nemen het probleem waar? Hoe nemen ze het waar (testen, controleren)? Hoe leggen ze het vast (rapport maken, publicatie schrijven)? Hoe helpen ze de getroffenen (fysiek, juridisch, financieel)?
  8. Oplossing: Welke individuen, instanties of organisaties dragen bij aan een oplossing voor het probleem? Hoe voorkomen ze het probleem (alternatieve handelswijze)? Hoe herstellen ze de schade? Hoe zoeken ze naar alternatieven of oplossingen (pleiten, investeren, onderzoeken)?

Voorbeeld:

PROBLEEM (HYPOTHESE):

OORZAKEN: